Nog te publiceren

  • Met een Turkse koffie op een Grieks terras (een cultuurhistorische vertelling).
  • Nachtboek (werktitel). Roman
  • Het Oordeel (werktitel). Roman
  • Van beesten, mensen en goden (werktitel). Gedichten

fragmenten

Met een Turkse koffie op een Grieks terras

Inleiding
Muze, bezing mij de wrok ...
Dit beroemde begin van de Ilias van Homerus zou ook de openingszin kunnen zijn van dit boek. Aan wrok geen gebrek. Griekenland en Turkije, samen in één boek. Kan dat wel goed gaan? Ik beloof u dat de stofwolken zich niet buiten het boek zullen verspreiden. De soms grote verschillen zullen niet verdoezeld worden, maar Griekenland en Turkije hebben meer gemeen dan een oppervlakkige blik doet vermoeden.
Het zijn landen met een gedeelde geschiedenis, een gedeelde opvoeding, maar ook met een gedeelde tragedie. Beide ook landen met een scharnierfunctie tussen oost en west. Soms lijkt er sprake van haat, maar ook haat bindt samen. Haat en liefde zijn twee kanten van dezelfde medaille. De voortdurende onenigheid tussen Griekenland en Turkije lijkt op geruzie tussen broer en zus. Er is verschil, maar tegelijk een niet te loochenen gemeenschappelijkheid.
De ligging van beide landen aan de Middellandse Zee heeft ze veroordeeld tot elkaar. Beide bewakers van de Bosporus, dan wel de Hellespont. Onvermijdelijk dat oost en west hier regelmatig op elkaar botsten en Titanengevechten streden.
Herodotus schreef bij de inleiding tot zijn Historiai:

‘Hier volgt een verslag van het onderzoek dat Herodotus van Halikarnassos heeft ingesteld met de bedoeling dat de handelingen van de mensen niet mettertijd vergeten worden en dat de grote en bewonderenswaardige daden van de Grieken aan de ene kant, van de niet-Grieken aan de andere kant, niet zonder roem blijven, en bovendien dat de reden van hun conflict duidelijk wordt.’

Nachtboek

Beam me up, Scotty
Het was een bizarre tocht. Hij zag zijn belager naderen, maar zijn voeten weigerden dienst. Tot zijn ontzetting zag hij hoe hij nu kruipend op handen en knieën over de weg schoof. Voor hem doemden de huizen van een nieuwbouwwijkje op. Rozerode steentjes, plastic raampjes, blauwe deuren. God wat lelijk. Een blik achterom leerde hem dat ook zijn belager nu op handen en knieën verder kroop. Hij kon zijn gezicht zien. Het was Koos, zijn baas. ‘Ik haal je in’, hoorde hij hem roepen, lachend. Never! Hij ging een huis binnen. Het gezinsleven ging om hem heen zijn normale gang, alsof hij niet bestond. De kinderen, drie in getal, zaten aan tafel en klierden met eten en met elkaar, moeder stond in de keuken, vader was onvindbaar. Hij doorkruiste de kamer om aan de achterzijde weer naar buiten te kunnen glippen. Het was nacht geworden. Hij keek om zich heen. Het hofje achter was afgesloten. Over de daken dan maar. Hij hees zich via de regenpijp omhoog en kwam op een zwartgeteerd dak terecht, waar hij door zijn knieën zakte. Rondom hem helverlichte ramen. Achter een ervan stond een vrouw voor een spiegel en zij prepareerde zich voor de nacht. Hij rilde. Hij moest voortmaken. Een harde tik volgde, daarna een scherp getuut. Hij schrok wakker.

Het Oordeel

Het chăteau
Het huis dat hij naderde ging voor een groot gedeelte schuil onder overhuivend geboomte en schaduwen van dikke stammen. De volle maan zette de voorzijde van het huis in een helder licht, zodat het leek alsof hij op een filmset in het verderfelijke Hollywood was beland.
Het front was neoklassiek: symmetrisch van opbouw, hoge ramen met houten luiken, een bordes voorzien van ranke Ionische zuilen, te betreden via witgemarmerde trappen. Aan de bovenkant was de voorgevel afgewerkt met een fries van gestileerde bloemmotieven. Boven de deur kon hij, geschreven in sierlijk zwarte letters, een naam lezen: Pays-Bas.
Dat trof. Hij haalde een hand door zijn haar, maakte een beweging om zijn das recht te trekken, hield in, en veegde toen een denkbeeldig smetje van zijn revers. Het grind knarste onder zijn rubberzolen toen hij de oversteek naar het bordes maakte. Bewonderend gleed zijn blik over het huis dat hij naderde. Hij hield van symmetrie. Ordening en ratio. Dat waren, naast God, zijn steunpilaren.
Toen hij de marmeren trappen besteeg, meende hij in de verte een hond te horen janken. Ondanks zijn vermoeidheid glimlachte hij. Meer dan veertig jaar oud en als een kleine jongen bang in het donker. Wat zei zijn vader vroeger ook al weer? De reinen van geest zijn onversaagd. Zoiets. Hij zocht een bel, maar ontdekte tot zijn verbazing dat de deur een weinig openstond, bijna uitnodigend. Hij duwde met zijn linkerhand de deur verder open en vroeg met luide stem:
‘Allo? Il y a quelqu’un?’

Van beesten, mensen en goden.

Feles monstruosa domestica

Er was veel geknaag aan poten,
En veel gelik van tongen.
Het achtpotige monster roerde zich.

Daarna veel gestrek van poten,
Het ontstaan van twee koppen
En twee maal vier verwijderde het zich.

Epimetheus’ straf

De ijsbeer heeft zijn witte jas,
Koning leeuw een flink gebit.
De kangaroe bezit zijn buidel,
Tweetie-bird een verensnit.

Ach, de mens loopt in zijn nakie,
Geen tanden, vacht of vederpak,
Maar wat hem nu het ergste kwelt:
Zelfs geen Prozacje op zak!